1 tot en met 20 van 87 resultaten.
Woontextiel

Woontextiel

Textiel is letterlijk "al wat geweven is". Het woord is afgeleid van het Latijnse woord "texere" dat weven betekent. De textielproducten zoals die vroeger in een manufactuur werden geweven, noemt men wel manufacturen.

In het moderne spraakgebruik wordt textiel veel ruimer gebruikt: textiel is een materiaal dat bestaat uit filamenten (eindloze draden) of vezels (korte stukjes draad). Dat wil zeggen dat non-wovens (filamentvlies en vezelvlies) er ook toe gerekend worden.

Textiel is praktisch altijd vervormbaar en kan een-, twee- of driedimensionaal zijn.

Algemeen 

De samenhang in het textiele materiaal ontstaat door de grondstoffen eerst te spinnen tot dunne draden, en vervolgens te twijnen tot dikkere draden.

Na het spinnen is een eendimensionale textiel ontstaan: het garen. Ook getwijnde, gekableerde of geslagen textiel (twijn, touw of kabel) noemen we eendimensionaal omdat de dikte vergeleken met de lengte zeer klein is.

De draden kunnen vervolgens in een tweedimensionale vorm gebracht worden door weven, haken, breien, knopen, vlechten of door vilten (van korte, losse textielvezels een geheel vormen).

Gebreide, geweven, gevlochten en geknoopte textiel gaat uit van garen en is meestal tweedimensionaal en in uitzonderingsgevallen driedimensionaal (afstandsweefsel of breisel, slangen en zakken). Gevlochten textiel is een- (koord), twee- (band) of driedimensioneel (omvlechtingen). Bij de vliesvorming is in tegenstelling tot de andere technieken geen garen nodig. Ook met losse vezels kan een textiel materiaal gevormd worden (onder andere vilt). Vliezen zijn tweedimensionaal.

Van textiel worden onder andere kleding (waaronder bedrijfs- en beschermende kleding), huishoudtextiel, woningtextiel, technische textiel, geotextiel, rubberversterking en kunststofversterking gemaakt. Verder wordt textiel in allerlei hobby´s en in de kunst toegepast.

Eigenschappen 

Geweven textielsoorten worden het meest gebruikt. De meeste stoffen hebben een goede en een verkeerde kant. Zo ziet bij een bedrukte stof de bedrukking er aan de goede kant het mooiste uit. De meeste stoffen, behalve bijvoorbeeld vilt of de voeringsstof vlieseline, hebben een draadrichting die parallel is aan de zelfkant. Dat is derhalve de richting van de schering bij het weven van de stof. Bij het knippen van de stof wordt rekening gehouden met de draadrichting, die dan meestal verticaal loopt in het eindproduct (zoals bij een kledingstuk, gordijnen, etc). Op patronen voor kleding wordt deze richting aangegeven met de term "recht van draad".

Bij bepaalde kledingstukken, bijvoorbeeld als een strepenpatroon juist diagonaal moet lopen, wordt de stof ook wel "schuin van draad", onder 45°, geknipt.

Sommige stoffen hebben een vleug,] zoals fluweel of corduroy. De vleug veroorzaakt een andere kleurdiepte bij verschillende lichtinval. Meestal worden de onderdelen van een kledingstuk "met de vleug mee" geknipt.

Geschiedenis 

De ontwikkeling van spinnen en weven van linnen is vanaf 3400 v.Chr. in Egypte begonnen. Ook de zijdecultuur kan bogen op een lange geschiedenis, vanaf 2600 v.Chr. wordt in China zijde gesponnen en tot stoffen geweven. Er zijn bronnen die veronderstellen dat de textiel- en weefkunst al veel ouder is (20.000 v.Chr.), uit een van de belangrijkste vondsten van de laatste decennia, de ijsmummie Ötzi, blijkt in ieder geval dat hij in die tijd (3100 v Chr.) nog geen geweven textiel droeg.